Vader – Nel Benschop

Wat vreemd, dat u er niet zult wezen
wanneer ik weer naar huis zal gaan.
U zult niet in kamer staan
en mij omhelzen, als vóór dezen.
 
'k Zal nooit meer, als u zat te slapen
boven een boek, boven een krant,
het blad, dat glipte uit uw hand
glimlachend van de grond oprapen.
 
'k Zal nooit uw "goede nacht" meer horen,
of het gestommel op de trap,
wanneer uw zo bekende stap
de morgenstilte kwam verstoren.
 
Nooit zult u door de tuin meer lopen,
waar iedere bloem en iedere plant
getuigde van uw zorgende hand.
– Nu ging de hemeltuin u open. –
 
O, die vertrouwde, kleine dingen,
die u zo onopvallend deed,
die zal ik missen, tot dit leed
verstild is tot herinneringen.